1. De term glazenier

De term glazenier wordt tegenwoordig gebruikt als een overkoepelende term voor een vakman die objecten van vensterglas repareert, restaureert en maakt; in het bijzonder al dan niet gebrandschilderde glas-in-loodpanelen (ambachtnederland.nl). Echter staat dit gebruik los van de officiële betekenis van deze term. Glazenier wordt namelijk beschreven als een ‘beoefenaar van de glasschilderkunst’ en wordt gelijkgesteld aan de term ‘glasschilder’ (vandale.nl), iemand die zich specifiek richt op het brandschilderen van vensterglas. Glazenmaker betreft ‘iemand die beroepshalve ruiten inzet, die gebroken vensterruiten door andere vervangt’. Deze term wordt gelijkgesteld aan ‘glaszetter’. In de geraadpleegde literatuur wordt dit onderscheid in sommige gevallen wel (onder andere Caen & Berserik, 2019b, p. 116) of niet gemaakt. Tijdens het onderhavige onderzoek bleek het onderscheid tussen beide termen lastig te maken. Er was niet zo zeer sprake van een duidelijke en zichtbare scheiding tussen glazenier en glazenmaker. In hoeverre dit komt doordat er geen duidelijke scheiding bestond en dat de glazenier eveneens als glazenmaker optrad of dat zij dusdanig nauw samenwerkten dat het verschil nauwelijks waarneembaar is binnen de archeologie blijft onduidelijk. Er is daarom voor gekozen om het tegenwoordige gebruik te hanteren van glazenier als overkoepelende term.

2. De werkplaats

Onderstaande afbeelding betreft een gravure uit de encyclopedie over de glaskunst van Denis Diderot en Jean le Rond d’Alembert. De gravure geeft een beeld van een glazenierswerkplaats in de tweede helft van de 18de eeuw en toont het ambacht van een glazenier: van het versnijden van de glasplaten en het inzetten van het vensterglas in de ramen. In de schappen boven de werknemers zijn enkele glasplaten weergegeven, waaronder grote ronde kroonglasplaten (rechts), kleinere ronde Tellerscheiben of Butzenscheiben (linksboven) en rechthoekige cilinderglasplaten (linksonder).
Op de gravure is te zien hoe een rechthoekige glasplaat in kleinere stukken wordt verdeeld door middel van een diamantsnijder (fig. 3), hoe de ingesneden stukken uit de plaat worden gebroken (fig. 5), in het raam worden gezet (fig. 4) en schoongemaakt (fig. 6). Aan de rechterzijde is te zien hoe het lood door een molentje wordt gedraaid om op die manier een loden strip met een H-profiel te verkrijgen (fig. 1). Fig. 2 betreft het polijsten van de glasplaat met zand. Dit polijsten was een extra handeling dat alleen werd gedaan bij het verkrijgen van spiegelglas. Hoewel dit niet op de gravure wordt weergegeven, bewijst archeologisch vondstmateriaal dat ook het brandschilderen van het glas binnen een glazenierswerkplaats kon worden uitgevoerd.

Een gravure uit de encyclopedie over de glaskunst van Denis Diderot en Jean le Rond d’Alembert van een glazenierswerkplaats in de tweede helft van de 18de eeuw. Op de gravure is te zien hoe een rechthoekige cilinderglasplaat in kleinere stukken wordt verdeeld door middel van een diamantsnijder (fig. 3), hoe de ingesneden stukken uit de plaat worden gebroken (fig. 5), in het raam worden gezet (fig. 4) en schoongemaakt (fig. 6); en hoe het lood door een molentje wordt gedraaid om op die manier een loden strip met een H-profiel te verkrijgen (fig. 1). Fig. 2 betreft het polijsten van de glasplaat met zand (Diderot & Le Rond d’Alembert, 1751-1772, Vitrier: Pl I).

3. Ontwerpfase

Benedictijner monnik Theophilus Presbyter (circa 1070-1125) beschrijft in zijn De diversis artibus (Over verscheidene kunsten) de verschillende technieken die werden toegepast in de middeleeuwse ambachten en kunsten, waaronder de productie van gebrandschilderd vensterglas (2013, pp. 61-62). Het boek is in het eerste kwart van de 12de eeuw geschreven, maar de werkzaamheden zullen op basaal niveau eeuwenlang gelijk zijn gebleven.

Voordat de glazenier daadwerkelijk kan beginnen met het versnijden van het glas, heeft hij een ontwerp nodig. In de tijd van Theophilus werd dit ontwerp door de glazenier gemaakt en op een houten tafel met krijt opgetekend. Het betrof een grootschalig ontwerp met daarop de lijnen van de afzonderlijke glasstukken en enkele hoofdlijnen voor de latere beschildering.

In de loop van de 15de-begin 16de eeuw werden ontwerpen niet meer met krijt aangebracht op een houten tafel, maar ging men gebruik maken van ontwerptekeningen op papier. Deze ontwikkeling vond plaats in de eerste helft van de 15de eeuw in Italië en vond navolging ten noorden van de Alpen in de tweede helft van de 15de eeuw (Strobl, 1990, p. 80). Deze nieuwe wijze van het vervaardigen van een ontwerp had enerzijds het voordeel dat ontwerpen voor een langere tijd bewaard en opnieuw gebruikt konden worden en anderzijds dat de ontwerpen over een groter gebied verspreid konden worden, wat leidde tot een grotere uniformiteit in afbeeldingen.

4. Snijfase

Als grondstof gebruikte de glazenier over het algemeen glasplaten van het zogenaamde bosglas (Waldglas): glas dat werd vervaardigd uit 2 delen as en 1 deel zand (Theophilus, 2013, p. 52). Dit glas kleurde door de natuurlijke elementen in het hout waaruit de as werd vervaardigd, vaak licht groen. Er werden tevens gekleurde glasplaten gebruikt: zoals blauw of groen gekleurd glas en rood of blauw Überfangglas (gelaagd glas met een rood of blauw gekleurde laag op een ongekleurde laag, ook wel plaqué-glas). De glasplaat werd over het ontwerp gelegd en het ontwerp werd door middel van kool of krijt overgebracht op de glasplaat.

Het glas werd vervolgens in stukken gesneden. De glazenier gebruikte daar volgens Theophilus een gloeiend heet snij-ijzer voor waarmee de bedoelde breuklijnen werden gevolgd (2013, p. 62). Na het versnijden van het glas in ruwe stukken, werden de stukken op maat gemaakt. De locatie van de beoogde rand werd eerst opgeruwd door met een scherp voorwerp of een scherpe steen over het oppervlak te krassen. Deze krassen kunnen nu nog op het vensterglas waarneembaar zijn. Met een gruisijzer werden grote of kleine hapjes van het glas gebroken, afhankelijk van het gebruik van de grote dan wel de kleine opening van het gruisijzer. Vanaf de Late Middeleeuwen ontstond de praktijk om het glas door middel van een diamantsnijder te snijden. Deze methode ontstond in Italië en werd pas gedurende de 16de eeuw geleidelijk aan populairder in de rest van Europa.

Met een gruisijzer kon het vensterglas in de juiste vorm worden gegruisd. Er werden grote of kleine hapjes van het glas gebroken, afhankelijk van het gebruik van de grote dan wel kleine opening van het gruisijzer. Bron: Diderot & Le Rond d’Alembert, 1751-1772, Vitrier: Pl I.

5. Brandschilderen van glas

Een deel van de op maat gemaakte glasstukken werd beschilderd. De lijnen werden opgezet met zwart- of bruingekleurde contourverf. Een verdunde variant van deze contourverf werd gebruikt als basis voor het aanbrengen van schaduwwerking: grisaille. Grisaille is een techniek waar het gehele glas wordt beschilderd met een ietwat transparante verf. Deze verf wordt op plekken waar veel schaduw gewenst is slechts zeer lichtelijk met een kwast van dassenhaar (daskwast) weggeveegd. Op plekken waar weinig tot geen schaduw gewenst is wordt de verf grotendeels of geheel weggeveegd. Details kunnen door middel van inkrassing met een scherp voorwerp worden aangebracht.

Vanaf 1300 werd niet alleen gebruik gemaakt van gekleurde glasplaten, maar werd ongekleurd glas gekleurd met het zogenaamde zilvergeel. Door middel van een chemische reactie tussen het zilver en het glas ontstond hierbij een heldere goudgele kleur. Zilvergeel bestaat uit een papje van zilver, antimoonsulfide, klei en leem of oker. Dit mengsel werd aan de achterzijde van het vensterglas aangebracht. Door het glas vervolgens te branden in een oven op een temperatuur van circa 580 °C werd de kleur overgebracht in het glas (Strobl, 1990, p. 91). Omdat zilvergeel reageerde met het glas, bleef het glas nog net zo doorschijnend en het oppervlak nog net zo glimmend als het onbeschilderde oppervlak.
Na verloop van tijd werd het kleurenspectrum steeds verder uitgebreid. Ten eerste met het rode sanguine (ook wel Jean-Cousin rood, antiekrood of ijzerrood genoemd). Dit geeft een licht rossige (vlees)kleur (transparante sanguine), die bijvoorbeeld gebruikt werd voor het blosje op de wangen, tot een helderrode kleur (opake sanguine). Het is onduidelijk wanneer deze kleur precies in zwang raakte, zo geeft Verena Kaufmann een datering in de 14de eeuw (2010, p. 151), Joost Caen een datering rond 1470 (2019, pp. 6-7) en Johan Anton van der Boom een datering rond 1520 (1960, p. 30).

Sinds het laatste kwart van de 15de-eerste helft 16de eeuw werden emailverven gebruikt (Caen, 2009, p. 346). Dit betrof een gekleurd glaspoeder in de kleuren blauw, groen en paars. Deze verf is weinig doorzichtig. Op het glas is daardoor een duidelijke verflaag waarneembaar. De verschillende verfkleuren werden aanvankelijk over elkaar heen geschilderd. De stukken werden daarna in een oven met een temperatuur van zo’n 570-650 °C geplaatst zodat de verf in het glas kon branden. Tegenwoordig wordt het glas stapsgewijs (elke kleur afzonderlijk) gekleurd en gebrand (Caen, 2019, p. 6-7).

Fragment gebrandschilderd vensterglas dat dateert rond 1450-1550 en afkomstig is uit de glazeniersafvalkuil uit Oldenzaal-Boterstraat. Op het fragment zijn dikke lijnen waarneembaar die middels contourverf op het glas zijn aangebracht. Binnen het blad is lichtere, half doorzichtige verf waarneembaar (grisaille). Deze verf is ietwat lichter gemaakt middels een daskwast en er zijn lijnen ingekrast met een scherp voorwerp. Bovenin de afbeelding is zilvergele beschildering aanwezig. Foto: Jacobine Melis (olak59)

Fragment gebrandschilderd vensterglas dat dateert rond 1550-1650 en afkomstig is uit de glazeniersafvalkuil uit Oldenzaal-Boterstraat. Het fragment toont verschillende verfsoorten waaronder contourverf, zilvergeel, rood in de vorm van transparante sanguineverf (in het gezicht van het wezen) en opake sanguineverf (het heldere rood) en blauwe emailleverf. Foto: Jacobine Melis (olak107)

6. Inzetten

De laatste stap van het proces was het plaatsen van de glasstukken in het lood. Het lood betrof een strip met een H-profiel dat in de Middeleeuwen werd gegoten in een mal (Theophilus, 2013, p. 69). Op de eerste afbeelding op deze pagina is te zien dat het lood door middel van een molentje in de juiste vorm gedraaid werd. Over het algemeen was dit profiel wat dikker en ronder in de Middeleeuwen en wat strakker en dunner in de Nieuwe Tijd (Kaufmann, 2010, p. 220).

De loodstrips waarin de kalibers werden geplaatst, werden aan elkaar vast gesoldeerd middels soldeertin. Voor dit soldeertin werd in de 12de eeuw een mengsel gebruikt met een verhouding van vier delen zuivere tin en een vijfde deel lood (Theophilus, 2013, p. 70). Een mengsel dat in de daaropvolgende eeuwen weinig gewijzigd is. De glas-in-loodpanelen werden vervolgens in het kozijn geplaatst.

7. Afval van de glazenier

Het ambacht van de glazenier leverde productieafval op. Delen van glasplaten werden weggegooid. Het betrof delen met oneffenheden die waren ontstaan tijdens de vervaardiging van de glasplaten. Door het gruizen ontstond sikkelvormig afval. Het merendeel van het afval dat we terugvinden in glazeniersafvalkuilen tot circa 1650 bestaat uit dergelijk sikkelvormig afval. Met het gebruik van de diamantsnijder vanaf de 17de eeuw kon er preciezer en zuiniger worden gewerkt. Het afval veranderde naar smalle, lange soms ietwat taps toelopende fragmenten glas.

In Nederland zijn tot nog toe 33 locaties bekend waar glazeniersafval is aangetroffen, waaronder 30 deposities van glazeniersafval behorende bij permanente of tijdelijke werkplaatsen (Hoofdstuk 5.3). Naast de afvaldeposities is glazeniersafval aangetroffen in secundaire contexten zoals in Leiden-Aalmarkt, vermoedelijk als afval van een glazenier die ter plaatse één of enkele ramen heeft vervangen of als verzameling als grondstof zoals in Groningen-Kattendiep.

Het werk van de glazenier hield voor een deel het repareren en vervangen van vensterglas in. Uit de inventaris van de Abdij van Rievaulx (Yorkshire) blijkt dat het verwijderde glas in drie categorieën werd gedeeld. De mooiste stukken werden verzameld, een tweede deel werd verkocht en een derde deel werd slechts gebruikt om het lood te verzamelen en te verkopen. Naast het verzamelen van hele ruiten en lood voor hergebruik, is het aannemelijk dat het glas werd verzameld om te worden gerecycled, oftewel omgesmolten om nieuw glas te maken. Onderzoek van materiaalspecialist van glas Danielle Caluwé naar 325 Antwerpse scheepsvrachten van 1411 tot 1481, leverde achttien vermeldingen op van scheepsvrachten met grondstoffen en werktuigen voor de productie van glas op (2013, p. 98). De grondstoffen die hier worden beschreven, betreffen as, glasscherven en cullet (in kleine stukken gebroken glas). Door de toevoeging van oud glas wordt het smeltpunt voor de productie van glas verlaagd van meer dan 1.700 °C naar 1.100 °C (Strobl, 1990, p. 52). Illustratief is de vondst van een grote hoeveelheid glazeniersafval vlak bij een glasoven in Groningen, terwijl er geen sprake was van een glazenierswerkplaats (Adolfs et al., 1988). Hieruit kan worden geconcludeerd dat het te vervangen gebrandschilderde glas samen met het productieafval in een grote kuil werd verzameld met als doel het te verkopen als grondstof aan glasmakers.